Joachim Max de Jonge dook met zijn vader, moeder en broer onder toen ze een oproep kregen voor kamp Westerbork. Eind juni 1943 vertrokken ze naar hun laatste onderduikadres, bij mevrouw Nooitgedagt. Zij was de weduwe van de directeur van een fabriek waar schaatsen en houten speelgoed werden gemaakt.
Joachim maakte met zijn vader en broertje allerlei houten voorwerpen zoals vrachtauto's en een leuke kat-en-muis-tuimelaar. Ze gebruikten daarvoor restjes beukenhout uit de fabriek. Die spullen werden vaak weggegeven aan verzetsmensen en ondergedoken kinderen. De hele familie heeft de oorlog overleefd.