De kinderen die zijn gered uit de crèche worden naar onderduikadressen gebracht. Het zijn vaak jonge mensen die dit gevaarlijke werk durven te doen. Ze zoeken het hele land af naar mensen die een joods kind in huis willen nemen.
Vier verschillende groepen doen dit verzetswerk. De groepen hebben elk hun eigen onderduikadressen, vooral in Friesland en Limburg. De blonde kinderen gaan zoveel mogelijk naar Friesland, de donkerharige naar Limburg. Daar vallen ze het minste op. Meer dan vierhonderd kinderen zijn door deze vier groepen gered. Ruim honderd kinderen zijn door anderen uit de crèche gehaald.
![]() |
De rechtenstudente Gisela Söhnlein zorgt ervoor dat er uit Amsterdam zoveel kinderen komen als het aantal adressen dat de Utrechtse groep kan leveren.
![]() |
‘We hadden codes: U betekende urgente, UU uiterst urgente en UUUUUUUU oneindig urgente kinderen. Het was een soort beurs.’
Gisela Söhnlein, contactpersoon Utrechtse en Amsterdamse studentengroep
![]() |
De Trouw-groep
Hester van Lennep heeft in Amsterdam een instituut voor huidverzorging. Ze heeft ook joodse klanten en ze zorgt voor onderduikadressen voor hun kinderen. Hester heeft een vriend Sándor Baracs, een jood die is gevlucht uit Hongarije en die is ondergedoken in Amsterdam.
Sándor krijgt contact met Walter Süskind, de directeur van de Joodse Raad in de Hollandsche Schouwburg. Hester en Sándor gaan daarna ook adressen zoeken voor kinderen uit de crèche.
Vanaf mei 1943 helpt Gesina van der Molen bij het redden van joodse kinderen. Gesina kent veel mensen van de verboden krant Trouw en die mensen helpen ook mee. De groep wordt daarom de Trouw-groep genoemd.